Doelstellingen en Activiteiten van de Commissie Onderwijszaken (COZ) van de Nederlandse Vereniging Klinische Farmacologie en Biofarmacie (NVKF&B)
Concept voorstel; voorlopig Bestuur COZ/NVKF&B, 24-01-03
Inleiding
Geruime tijd geleden is door de toenmalige Stichting Medisch-Farmaceutische Research (MFR) het initiatief genomen om met docenten farmacologie/farmacotherapie van (vrijwel) alle Nederlandse faculteiten geneeskunde, plannen te ontwikkelen om artsen een betere farmacologische/farmacotherapeutische opleiding te geven. Hierover is uiteindelijk een rapport verschenen (Farmacotherapie; van Kennis naar Kunde), en een Boerhaave-cursus georganiseerd met de nodige publiciteit. In afgeslankte vorm zijn deze activiteiten voortgezet onder de naam Inter-Universitaire WerkGroep Farmacotherapie (IUWG). Deze laatste heeft de laatste jaren ongeveer tweemaal per jaar vergaderd met doorgaans als belangrijkste agendapunt de onderlinge uitwisseling van ervaringen op het gebied van het onderwijs in de farmacologie/farmacotherapie. Aldus is een informeel netwerk van docenten farmacologie/farmacotherapie ontstaan waarin men de mogelijkheid heeft van elkaar te leren en van elkaars vruchten te plukken. Met het verscheiden van de MFR heeft Nefarma de bijeenkomsten gesponsord. Geleidelijk is de gedachte ontstaan om de IUWG onder te brengen bij de Nederlandse Vereniging voor Klinische Farmacologie & Biofarmacie. Nefarma heeft deze gedachte graag gesteund omdat aldus het erfgoed van de MFR op elegante wijze kan worden overgeheveld. Het bestuur van de NVKF&B heeft hier positief over besloten en de Commissie Onderwijszaken (COZ) opgericht. Een voorlopig bestuur van de COZ heeft voor 2003 een aantal activiteiten ontplooid, waaronder het opstellen van een discussienota met mogelijke doelstellingen en activiteiten van de COZ. Deze zijn hieronder als concept beschreven.
Doelstellingen
Naar voorbeeld van de Educational Committee van de EACPT gaat de ‘Commissie Onderwijszaken’ binnen de NVKF&B activiteiten ontplooien met als algemeen doel:
‘De bevordering van het onderwijs in de klinische farmacologie en farmacotherapie’ bij m.n. de basisopleidingen geneeskunde en farmacie.
Dit doel betreft primair de basisopleiding (undergraduate). Momenteel vindt er echter een discussie plaats op het gebied van onderwijscontinuüm en curriculum-verkorting en -herziening (KNMG/DMW-stuurgroep Medisch onderwijscontinuüm; voorzitter Prof. dr. B. Meyboom-de Jong). Bij de verbetering van de basisopleiding dient dan ook op zijn minst rekening te worden gehouden met de opleiding tot klinisch farmacoloog (postgraduate) en de nascholing (continuing education) waaronder het FT(T)O.
Activiteiten
De Commissie Onderwijszaken streeft dit doel na door:
- het komen tot een gezamenlijk beleid en samenwerking waar dit als zinnig wordt ervaren;
- het uitwisselen van ervaringen en het bespreken van problemen bij de diverse faculteiten;
- het bewaken en zonodig bijsturen van het afstudeerniveau van artsen en apothekers.
Globaal kan de commissie zich hierbij richten op 4 gebieden:
- Onderwijs,
- Onderzoek van onderwijs,
- Professionalisering van docenten
- Onderwijs in het (leren) doen van klinisch geneesmiddelonderzoek.
ad 1. Onderwijs.
De activiteiten kunnen bestaan uit het bekende trias:
- Ontwikkelen van (landelijke) doelstellingen/eindtermen, en op basis hiervan
- Ontwikkelen van (landelijke) toets- en evaluatie- instrumenten, en op basis hiervan
- Ontwikkelen en vergelijken van onderwijsmethoden, programma’s en middelen.
Deze activiteiten zijn gebaseerd op de nieuwste inzichten op het gebied van onderwijs. Heel globaal kunnen deze als volgt worden samengevat. Een student leert het meest en het snelst indien de vereiste kennis, vaardigheden en attituden helder beschreven zijn als eindtermen, en indien het onderwijsprogramma maar vooral de toetsing plaats vinden in een context die zo veel mogelijk overeenkomt met de latere beroepsuitoefening (arts, apotheker, onderzoeker). Probleem-, Patiënt- en Praktijk-Gebonden Onderwijs (PGO) zijn hierop gebaseerd. Het concept van ‘eerst kennis, dan (pas) toepassen’ is verlaten; geďntegreerd onderwijs is effectiever omdat de kennis en vaardigheden die verworven zijn tijdens het toepassen (de praktijk) beter beklijven. Omdat de wijze van toetsing uitzonderlijk bepalend is voor de wijze en de mate waarop wordt gestudeerd dient Probleem-, Patiënt- en Praktijk- Gebonden Toetsing te worden ingevoerd (PGT).
Voor de ontwikkeling van (landelijke) doelstellingen/eindtermen klinische farmacologie/farmacotherapie kan gebruik worden gemaakt van eerdere initiatieven op dit gebied (USA, Engeland, EACPT) die zijn of worden gepubliceerd. In Nederland zijn in ieder geval twee activiteiten gaande die mogelijk tot een landelijk toetsinstrument kunnen leiden: de Voortgangstoets (RUG,KUN,UM), en de Praktijktoets Farmacotherapie (VU). Bij de laatstgenoemde wordt b.v. overwogen externe examinatoren uit te nodigen. Tevens dient aangesloten te worden bij de nieuwe versie van het Raamplan 2001 met eindtermen voor de geneeskunde opleiding in Nederland, dat momenteel ontwikkeld wordt.Afstemming op of integratie met ontwikkelingen in de Farmacie-opleiding dienen te worden onderzocht.
Het ontwikkelen van Onderwijs in Klinisch Farmacologisch Onderzoek bij studenten geneeskunde en farmacie (wetenschappelijke stages, ‘Master class’) dient te worden overwogen.
ad 2. Onderzoek van onderwijs.
Ter ondersteuning of evaluatie van hetgeen onder 1. is vermeld kunnen onderzoeksprojecten worden geďnitieerd (‘evidence based education’). Een centraal thema hierbij kan zijn welke effecten onderwijs- en toetsinginterventies hebben op geneesmiddelenkennis en/of farmacotherapeutische vaardigheden. De resultaten worden gepresenteerd (Mededelingendagen, EACPT/CPT Conferences) en gepubliceerd. Hierbij kan worden voortgeborduurd op een reeds jarenlang bestaande traditie van ‘onderzoek van onderwijs’ en de bijbehorende stroom publicaties vanuit de disciplines Farmacologie en Klinische Farmacologie (sinds 50-er jaren!), Farmacie, en recentelijk uitgebreid met Farmacotherapie. Het sluit aan bij de ontwikkelingen op het gebied van de geneeskunde en de farmacie, met jaarlijkse congressen (World Association of Medical Education, International Pharmaceutical Federation, Nederlandse Vereniging voor Medisch Onderwijs) en ‘peer reviewed’ tijdschriften.
ad 3. Professionalisering van docenten.
De eisen gesteld aan universitaire docenten worden steeds groter en aanpassing aan de nieuwe onderwijs- en toetsmethoden vraagt veel van docenten. Daar staat tegenover dat er meer waardering en betere carričreperspectieven worden geboden. De mogelijkheid kan onderzocht worden om korte trainingen te organiseren voor docenten om op het gebied van de KF/FT nieuwe onderwijs- en toets- methoden te leren beheersen. Hierbij moet men ook denken aan docenten op andere (klinische) vakgebieden die (al dan niet gedwongen) ook onderwijs in de farmacologie/farmacotherapie geven als onderdeel van modulen of blokken.
ad 4. Onderwijs in het (leren)doen van klinisch geneesmiddelonderzoek.
In de meeste curricula geneeskunde en farmacie wordt impliciet aandacht besteedt aan het (leren) doen van onderzoek (wetenschappelijke stages, master classes etc.). Soms zijn er ook expliciete cursussen voor studenten georganiseerd. Een eerste stap van de commissie kan zijn om te inventariseren wat er op dit gebied gebeurt in de diverse faculteiten en in het buitenland, i.h.b. wat betreft klinisch farmacologisch onderzoek. Op basis van deze gegevens kunnen zonodig plannen worden gemaakt om de mogelijkheden voor het leren van klinisch farmacologisch onderzoek te vergroten.
Een algemene taak van de commissie is een bijdrage te leveren aan de organisatie van het EACPT Congres in Nederland (2007), i.h.b. een onderwijssymposium.